Hij woonde op kamers, die jongen, ergens boven een supermarkt. Zo’n kamer waar alles net niet paste en hij zelf ook niet helemaal meer, leek het. We kregen het signaal toen de huisbaas belde dat de wasbak was… besmeurd. Niet met tandpasta, laten we het daar op houden. En de electrische waterkoker – die stond op het vuur met eieren erin. Dat soort dingen.
Bij Digg’Out doen we onze best jongeren te helpen om de draad vast te houden. Maar als ze denken dat er ’s nachts zeven mensen op hun kamer slapen, terwijl ze daar toch echt alleen wonen, dan weet je dat die draad al even geleden is losgeraakt.
De hulpverlening – en dat zijn er nogal wat – zei: “We geven geen medicatie, want meneer heeft een cannabis-bierprobleem.” Alsof je pas hulp krijgt als je eerst helemaal nuchter bent. Alsof een verward mens dat voor elkaar bokst zonder hulp.
Er was geen bed beschikbaar, geen plek, geen gemeente die hem op papier had. Z’n inschrijving was verlopen. Bij de GGZ zeiden ze: “De huisarts moet dat regelen.” De huisarts zei: “Ik ga het proberen.” Ondertussen stond hij op straat en bewaterde hij voordeuren alsof het planten waren.
Bij Digg’Out hebben we een wasmachine en een rek met reservekleren. Geen douche helaas – die hadden we vroeger wel, in Zuidoost. Maar goed, een washandje, een stuk zeep en een handdoek doen wonderen als je daar de tijd voor neemt.
De jongen logeerde bij familie. Soms. Tot die er ook doorheen zaten.
Er kwamen gesprekken. En nog meer gesprekken. Acties, overleggen, en van die ronde tafels waar iedereen aan zit behalve de oplossing.
Ik mailde wekelijks updates aan de betrokkenen (gewoon alle mailadressen in een mail). Misschien niet AVG-proof, maar wel menselijk. Het ging me aan het hart. Soms ook naar het hoofd, want ik werd er langzamerhand niet goed van.
Na drie kwart jaar zaten we eindelijk echt allemaal rond de tafel. GGD, GGZ, politie, bewindvoerder, advocaat, Leger des Heils, Digg’Out. Ik stond buiten en deed denkbeeldig mijn bokshandschoenen aan.
We waren het eens. Hij moest de stad uit. Weg van de prikkels, weg van de coffeeshop op de hoek. Het Leger des Heils had een plekje. Rustig, op het platteland. Met kippen, een volkstuin, handen uit de mouwen. Kansen.
Maar ja – nieuwe beer op de weg: het was net over de gemeentegrens.
Uiteindelijk spraken de gemeenten met elkaar. Ja, dat gebeurt nog wel eens. En na een jaar in een Kafkaiaans script te hebben gespeeld, kwam er iets dat leek op een uitweg.
De jongen verhuisde.
En ik… ik hing m’n bokshandschoenen weer aan de kapstok. Voor even.
Eigen regie

